In Nederland zijn honderden diepe plassen ontstaan door winning van bouwmateriaal, zoals grind, klei of zand. Om diepe plassen geschikter te maken voor flora en fauna worden ze verondiept met baggerslib of licht verontreinigde grond. Er is weinig bekend over de risico’s van het vrijkomen van stoffen naar oppervlaktewater en grondwater tijdens en na het verondiepen. Dit leidt tot maatschappelijke onrust.

Een deel van de baggerslib en verontreinigde grond komt vanuit het buitenland. Voor baggerslib en verontreinigde grond vanuit het buitenland geldt dat het moeilijker te bepalen is of het aan de Nederlandse wet- en regelgeving voldoet. Hierdoor kan het onduidelijk zijn of materiaal van voldoende kwaliteit is.

De aanpak voor het verondiepen van plassen

In het Besluit Bodemkwaliteit staat dat het verondiepen van plassen alleen is toegestaan als de kwaliteit van het gebied er niet op achteruitgaat. In het besluit staat dat de baggerslib of verontreinigde grond voor gebruik eerst gekeurd moet worden, om te bepalen of het voldoet aan de Nederlandse milieunormen. Ook moet worden bijgehouden waar het materiaal vandaan komt en waar het wordt gebruikt. In 2010 is dit besluit aangevuld met regels voor locatiespecifieke situaties en om het proces voor het herinrichten van diepe plassen te verduidelijken.

Momenteel wordt er gewerkt aan nieuw beleid voor het verondiepen van plassen. Hierbij wordt gebruik gemaakt van kennis die is opgedaan in een onderzoek van het RIVM en een onderzoeksprogramma met consortium van kennisorganisaties (o.m. Deltares, WURWageningen University &Research, ECN en RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu).

Verder wordt er onderzoek gedaan of er rekening gehouden moet worden met het uitlogen van PFAS.